Heb je ooit geld gegeven aan een bedelaar? Je komt ze overal tegen. In mijn schilderijen zie je twee verschillende vormen van armoede: mensen die werkelijk op straat leven, en mensen die vooral op straat komen om te bedelen. Door de jaren heen heb ik geleerd om hierin onderscheid te maken. Ik geef geen geld meer aan bedelaars, omdat ik geloof dat geld geven iets spiritueels is: je zaait in wat iemand doet. Wanneer bedelen een beroep wordt, wil ik dat niet ondersteunen. De Bijbel zegt dat er altijd armen onder ons zullen zijn, maar dat we hen het best helpen met opvang, eten en – als het kan – een weg naar werk en herstel.
Mijn eigen dochter heeft een tijd op straat geslapen. Toen ze terug in mijn leven kwam, heb ik haar onderdak gegeven. Ze komt nog steeds regelmatig bij mij eten, slapen, kleren halen en liefde ontvangen. Ze vertelde hoe ze bestolen werd, geslagen en gebruikt. Dat heeft mijn hart nog meer geopend voor echte armoede, maar tegelijk mijn ogen geopend voor misbruik en manipulatie.
Mijn schilderijen zijn geen veroordeling, maar een uitnodiging tot wijsheid. Niet iedereen die op straat zit, is werkelijk dakloos. Sommigen hebben een huis, maar kiezen voor bedelen als inkomen. Anderen zitten vast in armoede, trauma of verslaving en hebben echte hulp nodig. Het is belangrijk om het verschil te leren zien.
De jonge man die ik schilderde, is iemand die zijn stad door en door kent. Hij helpt mensen die écht in nood zijn en laat de professionele bedelaars links liggen. Hij weet wie werkelijk arm is en wie hulp nodig heeft. Kennis, wijsheid en een hart dat Jezus zoekt, kunnen iemand uit de put trekken.
Het bladgoud op de stoep in mijn schilderij verwijst naar dit: er is altijd Iemand die ziet wat er in mensen omgaat. Hij kent het hart, de motieven en de nood. En Hij leert ons om met liefde én wijsheid te geven.
Jaren geleden wandelde ik met mijn jongste dochter door Antwerpen. Op de stoep zat een bedelaar met zijn hond. Terwijl we voorbijliepen, zag ik een koffieshop waar chocolademelk in actie stond: 1 + 1 gratis. Mijn dochter wilde geen, maar in mijn hart voelde ik een zachte por: geef deze man iets warms. Het was november, koud en grijs, bijna winter.
Ik keerde terug en vroeg hem of hij een koffie wilde. Zijn dankbare “ja” raakte me diep. We kochten twee koffies, ik ging naast hem zitten, gaf hem mijn broodje van thuis en luisterde naar zijn verhaal. In dat moment voelde ik hoe eenvoudig liefde kan zijn: een warme beker in koude handen, een beetje aandacht, een zegen. Als ik toen meer had kunnen geven, had ik het gedaan. Ik droomde er soms van een held te zijn—een moeder voor wie geen thuis heeft. Iemand die onderdak biedt, kleren, sokken, ondergoed, een startpakket met zeep, handdoeken, shampoo. In mijn verbeelding had ik zelfs drie teams:
Die bewogenheid is de reden waarom ik deze bedelaars heb geschilderd. Niet omdat ik het bedelen als levensstijl steun—integendeel. Door ervaring en kennis leer je onderscheid maken tussen wie echt hulp nodig heeft en wie van bedelen een beroep maakt. De eersten wil ik helpen; de laatsten steun ik niet langer.
In Brussel zat ik eens met mijn jongste dochter op een terras. We dronken koffie en chocolademelk met een boterkoek erbij. Een bedelaarster vroeg geld. Ik zei vriendelijk dat ik dat niet doe. Ze wees naar de bakkerij, en mijn dochter fluisterde: “Mama, misschien wil ze een brood.” Ik gaf haar een teken dat ze iets mocht kiezen. Toen het haar beurt was, wees ze naar een taart. Ik schrok van haar keuze—zo gedurfd, zo ver van wat ik wilde geven. Ik wilde haar helpen met levensonderhoud, niet met luxe. Dat moment heeft me voorzichtig gemaakt. Ik geef liever aan straatmuzikanten die met hun talent een goede sfeer scheppen.
Ik geloof dat God in ons hart legt wie we mogen helpen. Maar daar is wijsheid voor nodig. Wie gegrepen wordt door het leven en de juiste houding heeft, kan weer opstaan. Wij Belgen helpen graag, maar niet iedereen wil geholpen worden, en sommigen manipuleren. Niet iedereen is betrouwbaar.
De jonge man die ik schilderde, is iemand die zijn stad kent. Hij helpt zijn medemensen in armoede en laat de professionele bedelaars links liggen—zij hebben een huis. Er is kennis, wijsheid en een hart voor Jezus kunnen iemand uit de put trekken.
Mijn ouders hebben vaak mensen opgevangen. Ze deden nachtopvang en hielpen waar ze konden. Maar ook zij leerden: niet iedereen die je binnenlaat, is te vertrouwen. Je weet nooit wat iemand heeft meegemaakt, wat hij moest doen om te overleven, of hij respect heeft voor het land waar hij binnenkomt.
Het bladgoud op de stoep in mijn schilderij staat voor dit: er is altijd Iemand die ziet wat er in mensen omgaat. We mogen ons niet laten misleiden door bedelaars die van bedelen een beroep maken. Dat is geen vrijgevigheid, maar het ondersteunen van een verkeerde geestelijke dynamiek. Wat je zaait, oogst je. Het is goed overvloedig te geven—God heeft de blijmoedige gever lief. Maar het is beter te zaaien in mensen die werkelijk helpen, zoals de jonge man in mijn schilderij, of in organisaties zoals de voedselbank. Daar komt vrucht uit voort. Zelfs mijn oudste dochter is er regelmatig geweest.